De projectmethode bestaat uit drie bouwstenen: faseren, beheersen en beslissen.
Faseren
Het begint met het verduidelijken van de achtergrond, het probleem en het beoogde doel. (geeft tesamen het waarom van het project aan). Vervolgens moet het op te leveren resultaat / product/ deliverable (het wat) bepaald worden en aansluitend de afbakening (het wat niet ). Dit gebeurt allemaal in de initiatief fase. In deze wordt ook bepaald welke werkzaamheden in de volgende fasen nodig zijn om het reultaat op te leveren.

Beheersen
Hierbij staat het opstellen van normen over tijd, geld, kwaliteit, informatie en organisatie centraal. Ook het bewaken van deze normen gedurende het hele project hoort hierbij. Centrale thema's zijn:
- tijd (doorlooptijd en capaciteit)
- geld (kosten en opbrengsten)
- kwaliteit (meetbare normen en wijze van aantonen van deze normen)
- informatie (hoe fasedocumenten vastgelegd worden en de wijzigingsprocedure hiervan)
- organisatie (verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden en de inrichting van overlegorganen)
Beslissen
Aan het eind van elke fase kiest de opdrachtgever voor stoppen of doorgaan van het project.
De projectmethode is universeel toepasbaar. In de bouw, bij onderzoek, voor productontwikkeling. Bij industrie, overheid en dienstverlening.
Projecten ontstaan niet spontaan. U moet ze zelf maken. Samen met anderen.
Bron:
• Werken aan Projecten – aandacht voor mens en methode, Rudy Kor,
Kluwer ( 2008)
Tags
- Organiseren
- Strategie
- Projectbeheersing
- Projectrisico
- Haalbaarheid
- Doelgericht
- Prioriteiten
- Systematiek
- Informatiemanagement
- Projectorganisatie
- Besluitvorming
- Organisatie-inrichting
- Projectmanager
- PMW
- Faseren
- Beheersen
- Tijdbeheersing
- Ontwikkelen
- Programma
- Projectmatig werken
- Projectmanagement
- Creativiteit
- Resultaatgericht_werken
- Procesgericht_werken
- kennismanagement

